Als de herfst van mijn leven gekomen zal zijn, en samen met het haar op mijn hoofd het licht in mijn ogen zal uitgevallen zijn, zal ik beseffen dat de wereld niet te veroveren valt.
Tegenwoordig moeten we niet meer reizen om de wereld te zien: dankzij het Internet en de kunst van de fotografie kunnen we op enkele seconden tijd van Perth naar Kaapstad reizen en terug. Maar natuurlijk kan virtueel reizen niet opwegen tegen het ter plekke zijn. In mijn nog jonge leven heb ik niet eens de Europese grenzen overschreden, maar ik zag al meer landen dan er vingers aan mijn handen groeiden. En toch word ik maar al te vaak overvallen door een onlesbare dorst naar andere culturen, andere oorden, andere landen, andere continenten…
Zoals elke gezonde jonge geest is ook die van mij beladen met projecten en toekomstplannen. Landen die ik zeker wil bezocht hebben in mijn leven staan op een mentaal lijstje dat in een klein schuifje in een donker hoekje van mijn geheugen bewaard wordt. De aarde moet veroverd worden, elk continent moet gezien worden en elke geur die er bestaat moet opgesnoven en onthouden worden.
Maar hoeveel we ook zien, hoeveel we ook ruiken, proeven of weten, nooit zullen we de wereld kunnen veroveren. Altijd zullen er adembenemende plekken zijn die we nooit gezien zullen hebben, we nemen onze herinneringen mee ons graf in en worden voor onze laatste slaap ondergestopt met een deken van aarde dat we zelf nooit zullen hebben aangeraakt.
Een jonge geest heeft plannen nodig, en een rebelse koppigheid die roept dat de wereld wel gezien kan worden, dat alles wat we willen ook kan. Maar als de rimpels om onze oude lippen niet meer bij elke lach straktrekken, zullen we beseffen dat het niet kan. De wereld valt niet te veroveren.
Maar is dat dan nodig? Moeten we half de aarde rondreizen om een andere cultuur te vinden? Om een ander landschap te bewonderen? Als we om te beginnen allemaal eens even onze ogen zouden opendoen, vinden we wat we zoeken misschien ook wel in onze buurt. Het volstaat om je open te stellen voor de poëzie van het alledaagse: een windmolen of een koeltoren in een lege akker, de textuur van de stenen waar we op lopen, de Arabische tekens die van op de kruidenwinkel-etalage de straat toelachen, de frituur naast het Turkse eethuis,…
Als je maar wil, kan je een hele wereld aan kleuren, klanken en culturen herkennen in de straten die je anders met de blik naar de grond toe doorloopt. Zo is de wereld toch een beetje veroverd, en gevangen gezet in zowat iedere grote straat in iedere stad. Een klein beetje buitenland in het binnenland is niet buitengewoon. De poëzie daarvan inzien is dat des te meer.
Heidi
____________________________________________________________
____________________________________________________________